|  |  |
 |
 |

Nederlandse brandspuitfabrikanten tot de negentiende eeuw

Inleiding Eén van de oudste en bekendste brandspuitfabrieken in Nederland was in de vorige eeuw wel die van de Erven Arent Almenum te Amsterdam. Dat zat 'm niet zozeer in de heer Almenum zelve, als wel zijn illustere voorgangers, de Jannen van der Heiden. De eerste bekende Jan van der Heiden was samen met zijn broer Nicolaas in 1672 belast met het toezicht op de brandspuiten en het blusmateriaal van de Stad Amsterdam. Dat was vooral te danken aan het succes van de door hen geïntroduceerde zuig-perspomp, de aanjager (tegenwoordig haler geheten), en het gebruik van brandslangen. Nadat Jan en Nicolaas, onder andere door gebruikmaking van een windketel het materieel zodanig had- den verbeterd dat er naar de stand der techniek in die jaren niets meer te verbeteren viel, gingen zij zich bezig houden met de organisatie van de brandbestrijding. Nicolaas maakte de bekroning daarvan niet meer mee, zodat bij het aantreden van de nieuwe brandweerorganisatie in Amsterdam in 1685 alleen Jan van der Heiden en zijn zoon Jan (de jonge, zoals hij zich noemde) benoemd konden worden tot generaal- brandmeester.  | | Jan van der Heiden legt Czaar Peter de Grote zijn uitvindingen uit | De brandspuitenfabriek in de koestraat Na alle successen met hun handbrandspuiten hadden Jan (de oude, zal ik maar zeggen) en Nicolaas een brandspuitenfabriek opgericht in de Koestraat in Amsterdam. Door de gigantische verbeteringen aan de handbrandspuiten met toebehoren en de vele octrooien die zij daarop bezaten, ging het met die fabriek zeer voorspoedig. De orginele door deze fabriek gemaakte spuiten komt men dan ook nog overal ter wereld tegen in de brandweermusea. Toen de oude Jan in 1712 de (straal)pijp uitging, werd hij natuurlijk opgevolgd door zijn zoon Jan (de jonge). Deze was evenals zijn vader een uitstekend zakenman en de fabriek maakte onder zijn bewind een grote naam in de branche. Begin 1726 overleed ook de jonge Jan (toen toch al 64 jaar) en werd hij opgevolgd door zijn één jaar jongere broer Samuel. De jonge Jan had namelijk twee dochters, die geen van beiden interesse toonden in het ambt van generaal-brandmeester (waarschijnlijk is dat zelfs nooit serieus overwogen) en het vak van brandspuitfabrikant. Samuel zette de zaak nog drie jaar voort, en verwisselde toen zelf het tijdelijke met het eeuwige, terwijl hij vrijgezel was. Op dat moment (11 januari 1729) kwamen stadsbestuur en fabriek in de problemen, omdat er geen opvolgers voor de familie Van der Heiden voorhanden waren. Gelukkig bood de Amsterdamse zakenman Pieter Pietersz. zich aan om de brandspuitfabriek over te nemen, en het daarbij eigenlijk traditioneel behorende ambt van generaal- brandmeester van de stad Amsterdam. Belangenvermenging stond toen nog niet in het woordenboek. Pieter, die zich om niet te traceren redenen ging bedienen van de achternaam Almenum, bestierde de zaak gedurende ruim 17 jaar, en werd na zijn dood opgevolgd door zijn zoon Wijbrand Almenum. Na zijn 23-jarig bewind, eveneens eindigende door een overlijden werd hij opgevolgd door zijn zoon Arent, op dat moment 28 jaar oud. Arent overleed op 25 maart 1784 op 42-jarige leeftijd en kinderloos. Andermaal zaten fabriek en stad zonder brandweerbaas. Vanaf dat moment werden de functies van generaal- brandmeester en brandspuitfabrikant gescheiden. Het generaal-brandmeesterschap ging over naar de plaatsvervangend 'generaal', Willem Somer. De brandspuitfabriek ging over in de handen van de erfgenamen van Arent, waarop de fabriek 'De Erven Arent Almenum' ging heten. Op 27 december 1800 werd de fabriek gekocht door Anthony Cornelis Vermunt, die in 1825 overleed. Zijn erfgenamen verkochten de fabriek in 1827 aan Jan Hessel van der Willige, die als fabrieksnaam steeds de Erven Arent Almenum bleef gebruiken. Van imitatie naar eigen ontwerp Over de overige brandspuitfabrieken in Nederland aan het einde van de achttiende eeuw is heel weinig bekend. Gezien de verspreiding van de Van der Heidenspuiten over de grotere plaatsen in Nederland mag worden aangenomen dat de concurrentie in eigen land zeer beperkt was. Het bewaken van de octrooien buiten de landsgrenzen was in die jaren van vóór de telefax bijzonder moeilijk en elders in de wereld verschenen al kort na de boeken van de Jannen allerlei modellen brandspuiten, die verdacht veel overeenkomsten met die van de Van der Heidens vertoonden. Toen de landsgrenzen flink door elkaar geschud werden door de Franse expansiedrift en de binnenlandse octrooien begonnen te verlopen, kwam ook in eigen land de brandspuitproductie in gang bij andere bedrijven. Toen koning Lodewijk Napoleon in 1807 bepaalde dat alle plaatselijke besturen in het rijk zichzelf (draagbare) brandspuiten moesten aanschaffen, werd in één adem het product van de Delftse fabrikant Mr. J.H. Onderdewijngaart Canzius aanbevolen, die een spuit fabriceerde naar het ontwerp van de uitvinder Martinus van Marum. Niet allemaal even goed Nadat de landsgrenzen in 1815 weer in de plooi waren gebracht werd een inventarisatie gemaakt van deze tak van nijverheid. In Amsterdam was er de bekende fabriek van de Erven Arent Almenum, die echter door de concurrentie een kwijnend bestaan leek te leiden, in Haarlem waren er twee, die een redelijk gevulde orderportefeuille hadden, in Breda was er een, die toen echter stillag, en in Nijmegen was een tamelijk gunstig draaiende fabriek. In het noorden en het zuiden (België) waren bijna geen brandspuitfabrieken te vinden. De weinig florerende brandspuitenindustrie had te kampen met concurrentie (ook uit het buitenland), de weigering van gemeentebesturen om zich dure spuiten te laten opdringen en de duurzaamheid van de in het verleden gemaakte producten. Zo werd in Amsterdam pas in 1924 een door Jan van der Heiden vervaardigde handbrandspuit buiten dienst gesteld na 242 jaar! (Over afschrijvingstermijnen gesproken....) Van de negen brandspuitfabrieken die de statistieken in 1819 in de Nederlanden (dus inclusief België) vermeldden, werd van slechts een (Fischer in Gelderland) de toestand gunstig genoemd. De andere werden als kwijnend of middelmatig gekwalificeerd. Inventarisatie 1825 In 1825 werden de brandspuitfabrikanten andermaal geïnventariseerd, mede om het gemeentebesturen een keuze te bieden als zij zich dergelijke nuttige zaken in het algemeen belang gingen aanschaffen. Zo werden op dat moment de volgende fabrieken aanbevolen:
 | Govert Bijvoet en Zn. te Geertruidenberg, |
 | Johannes Bijvoet Azn. te Geertruidenberg, |
 | P.J. Huijgh te Brussel, |
 | J. Pitet te Brussel, |
 | J.P. Gerard en Comp te Luik, |
 | F.M. Lagasse te Luik, |
 | J.F. Ortmans te Verviers, |
 | J.J. Fischer te Nijmegen, |
 | B. Studel te Bergen (Henegouwen), |
 | Huart te Charleroi, |
 | Erven Arent Almenum te Amsterdam, |
 | H. Belder en Comp. te Amsterdam, |
 | C. Gerber te Haarlem, |
 | C.D. Lucas te Haarlem, |
 | P.C. Vervenne te Middelburg, |
 | H.H. Vervenne te Middelburg, |
 | P.G. Olischlager te Middelburg. |
Opvallend genoeg werd de firma Sander Bikkers en Zoon te Rotterdam niet in deze aanbeveling opgenomen, hoewel Fischer, Belder, Gerber en Bikkers als belangrijkste brandspuitleveranciers aan het Rijk werden genoemd in 1826. Geïnspireerd door de toenemende industrialisatie van Nederland en het daarbij behorende brandgevaar, werd in 1827 bepaald, dat elke stad of gemeente één of meer brandspuiten moest hebben. Dit kwam de welvaart van de brandspuitfabrieken natuurlijk zeer ten goede, en hun aantal groeide dan ook gestaag. Inventarisatie 1845 In 1845 werd de ten behoeve van de gemeenten gepubliceerde lijst van brandspuiten aangepast. Hoewel de Nederlanden inmiddels gehalveerd waren was het aantal brandspuitfabrieken bijna gelijk als voor de splitsing. Aanbevolen werden:
 | A.H. van Bergen te Midwolda, |
 | G. Abbink te Borne (Ov.), |
 | J.W. te Hasselo te Lochem, |
 | H.J. Wemerman te Voorst, |
 | J.H. van der Willige, firma de Erven Arent Almenum te Amsterdam, |
 | H. Belder en comp. te Amsterdam, |
 | A. Gerber te Haarlem, |
 | C.D. Lucas te Haarlem, |
 | H. Schober te Haarlem, |
 | A. Bikkers en zoon te Rotterdam, |
 | J. Peek te Middelburg, |
 | P.C. Vervenne te Middelburg, |
 | U. van der Os te Vlissingen, |
 | J. Bijvoet te Geertruidenberg en |
 | L. van Beethoven te Maastricht. |
Hoewel de gebroeders Smits te Nijmegen ook brandspuiten fabriceerden, kwamen zij niet op de lijst voor. Pas in 1846 konden zij de gouverneur van Gelderland blijkbaar overtuigen van de kwaliteit van hun product. Ook L.W. Schutz te Zeist en W. Slotboom te 's-Gravenhage meldden zich in respectievelijk 1845 en 1846 aan om op deze lijst te mogen worden geplaatst. In 1847 begonnen de gebroeders C. en B.A. van der Horst te Kampen hun diensten op de brandspuitenmarkt aan te prijzen.
Andere initiatieven In diezelfde periode (1846) trok ene W. van Hoven te 's- Gravenhage met een stroom van correspondentie en een gedrukt boekwerkje van leer tegen de zijns inziens slechte toestand van de blusmiddelen in zijn gemeente. Achter in het boekwerkje bleek dat er misschien wel een klein beetje eigenbelang achter school, want daarin werd de brandspuit van F. Requilé & Beduwé te Luik aangeprezen, waarvan hij de alleenvertegenwoordiging in Nederland had verworven. De gemeente Amsterdam had sinds 1831 zijn eigen 'brandspuitwinkel', onderdeel van het Stads Fabrieksambt, de voorganger van de Dienst Publieke Werken. Daar werden niet zozeer spuiten gefabriceerd, maar het omvangrijke blusarsenaal van de gemeente onderhouden. Voortvarende technische ambtenaren, die ook toen al bestonden, brachten herhaaldelijk verbeteringen aan, gebruik makende van de voortschrijding der techniek. Toen de vorige-eeuwse privatiseringsgolf woedde, werd dit werk met ingang van 1 juli 1869 uitbesteed voor tien jaar aan de inmiddels gerenommeerde Amsterdamse firma H. Belder en co., welk contract in 1874 weer moest worden afgekocht in verband met de oprichting van de beroepsbrandweer in dat jaar. Thorbecke's gemeentewet van 1851 Thorbecke's gemeentewet van 1851 legde nog eens de plicht van alle nieuw gevormde gemeentebesturen vast om voldoende brandblusmiddelen aan te schaffen en in stand te houden. Andermaal leefde de brandspuitenfabricage op, maar al snel raakte de markt verzadigd. Nieuwe vindingen deden hun intree, zoals de rotatiepomp (voorvader van de centrifugaalpomp), die de slijtagegevoelige en arbeidsintensievezuigerpompen langzaamaan ging vervangen, en de aandrijving door middel van stoommachines.
De internationale tentoonstelling te Middelburg (1864) Toen in juli 1864 in Middelburg een internationale (!) tentoonstelling met wedstrijd van brandspuiten werd georganiseerd waren deze nieuwe snufjes van de techniek ook aanwezig. Twee stoomspuitfabrikanten uit Engeland, Merryweather en Shand, Mason & Co. toonden hun producten en deden velen in verbazing staan. Door wat kleine technische probleempjes presteerde de Merryweather-stoomspuit iets minder goed, zodat de gemeente Amsterdam in datzelfde jaar twee stoomspuiten bestelde bij Shand, Mason & Co. In 1866 werden ze afgeleverd en in dienst gesteld. Op de Middelburgse wedstrijd waren natuurlijk alle zichzelf respecterende brandspuitfabrikanten in Nederland en omgeving aanwezig. Getoond werden behalve de twee genoemde stoombrandspuiten:
 | 2 brandspuiten van L. Bytebier-de Lorge te Gent, |
 | 1 brandspuit van J.B. Kestemont te Brussel, |
 | 1 brandspuit van E.D. Antonissen te Brussel, |
 | 6 brandspuiten, twee wagens en een transportabele watertank van F. Requilé Jne & Beduwé te Luik, vertegenwoordigd door W. Hoven te 's-Gravenhage, |
 | 1 brandspuit van de gemeente Amsterdam (buiten mededinging), |
 | 4 brandspuiten van de Koninklijke (jawel, het na veel pijn en moeite verkregen predikaat) brandspuit-fabrikanten H. Belder en Co. te Amsterdam, |
 | 5 brandspuiten en een aantal slangen en accessoires van A. Bikkers & Zoon te Rotterdam, |
 | 2 brandspuiten van I.Th. Bouten te Well (Limburg), |
 | 6 brandspuiten van A.H. van Bergen te Heiligerlee, |
 | 2 brandspuiten van G. en W.J. Eleveld te Zwolle, |
 | 1 brandspuit van M. Kronenburg te Culemborg, |
 | 3 brandspuiten van F.B. Meylink te Haarlem, |
 | 2 brandspuiten van Gebrs. van den Noort te Kampen, |
 | 6 brandspuiten, slangen en accessoires van W.C. Pasteur & Co. te Rotterdam, |
 | 4 brandspuiten van Gebr. Peek te Middelburg, |
 | 2 brandspuiten van J.H. Pothmann te Arnhem, |
 | 1 brandspuit met aanjager van T. van der Ploeg te Grouw, |
 | 1 brandspuit met aanjager van A. Smits te Nijmegen, |
 | 1 brandspuit van J.H.C. van der Willige, de firma Erven Arent Almenum te Amsterdam en |
 | 1 brandspuit van Joh. Volkers Jzn. te Zwolle. |
 | | Bespannen handspuit van Pothman in 1874 in gebruik bij de Amsterdamse brandweer | Verder werden er een groot aantal zuig- en persslangen, handbrandblussers, ladders, haken en 'reddingstoestellen' getoond en was er een historische hoek ingericht met behulp van prenten van Jan van der Heiden uit een particuliere verzameling. De tentoonstelling en wedstrijd waren een groot succes, en vele overheidsinstellingen en fabrieken stuurden deskundigen naar Zeeland om een keuze te maken. De schitterende prestaties van de stoomspuiten maakten veel indruk, maar ze zagen er toch maar vervaarlijk uit en maakten een verschrikkelijke herrie. De tendens werd dan ook al snel om de stoomspuiten aan te schaffen voor grotere gemeenten en rijksinstellingen als marinewerven e.d., en de handbrandspuiten van het beproefde procédé te handhaven voor de kleinere gemeenten en complexen. "voortschrijdend inzicht" De industrialisatie versnelde zich in de tweede helft van de vorige eeuw, mede dankzij de stoommachines en het gebruik van petroleum en gas. Toen de stoomspuiten dan ook kleiner en handzamer waren, en aan het begin van de jaren tien van deze eeuw de verbrandingsmotor in combinatie met een bluspomp zijn intrede deed, was het snel afgelopen met de fabricage van handbrandspuiten. Slechts enkele fabrieken waren in staat om de omwenteling mee te beleven, en reeds in 1913 werd nergens meer gewag gemaakt van de productie van handbrandspuiten. Niet onbekende namen als Landré & Glindermann of Otterbein moeten dus slechts korte tijd op de brandspuiten geplakt zijn geweest. Hoewel in sommige gemeenten de handbrandspuiten nog vele jaren in actieve dienst bleven - hun duurzaamheid werd al eerder gememoreerd - was het met de fabricage van deze apparaten der 'ellebogenstoom' snel gedaan. Talrijke handbrandspuiten zijn in Nederland nog bewaard gebleven, ondanks de metaalschaarste die zich in de oorlog heeft voorgedaan. Nu krijgen de meesten een nieuw leven als curiositeit, mascotte of museumstuk en worden ze net zo liefdevol gekoesterd als door de fabrikanten van toen....
Bronnen: De Nederlandse Brandspuitmakerijen voor 1850, dr. ir. J. Mac Lean, Brand & Brandweer, 1978, pag. 101 e.v., Provinciaal Blad van Noord-Holland, div. jaren, Catalogus der Internationale Tentoonstelling van Brandspuiten, brandblusch- en brandreddingstoestellen te houden te Middelburg op 12 juli 1864 en volgende dagen, De slechte toestand van de brandbluschmiddelen in Nederland, W. van Hoven, 1846, eigen archief G.P. Koppers, diverse stukken uit het NBDC.
|
|  |  |  |

Nieuws:

 Nieuwsberichten op www.brandweer.nl
 |