donderdag 29 juli 2010
Links
Uitgebreid zoeken
Contact
Sitemap
Welkom / Geschiedenis / Korte geschiedenis

Korte geschiedenis van brandweer Nederland

Primitieve brandblussing
Jan van der Heijden
Stoommachines, waterleiding en telegraaf
Tweede wereldoorlog
Moderne hulpverleningsdienst

tot in de negentiende eeuw brandden soms hele steden af. Amsterdam verbrandde in 1452 voor driekwart.
tot in de negentiende eeuw brandden soms hele steden af. Amsterdam verbrandde in 1452 voor driekwart.
Primitieve brandblussing
Een periode van grote stads- en dorpsbranden als gevolg van houtbouw, rieten daken en het ontbreken van effectieve blusmiddelen en brandpreventieve maatregelen.
In deze periode worden wel brandpreventieve maatregelen ingevoerd, maar aan de toepassing hiervan wordt pas na 1600 voldoende aandacht besteed.
Deze maatregelen omvatten onder andere het gebruik van stenen in plaats van hout voor muren en wanden; dakbedekking met pannen in plaats van riet en stro, alsmede regels voor het gebruik en toepassen van vuur. Haardvuren moeten ’s nachts gedoofd zijn, hete as in stenen potten bewaard enz.

Na 1600 komt ook de ontwikkeling van de blusmiddelen op gang, zodat naast de bekende brandemmer ook primitieve brandspuiten ontstaan waarmede het water in de brand kon worden gespoten.
Hoewel de Romeinen al vanaf het begin van onze jaartelling over een georganiseerde brandweer beschikten in o.a. de stad Rome, bleef het in de rest van Europa nog honderden jaren behelpen, en was er geen sprake van enige organisatie op het gebied van de brandbestrijding.

De ontwikkeling van de brandspuit in al zijn vormen komt dan ook pas na 1600 op gang.
Ieder land had zo zijn eigen ontwikkelingen en modellen.
Zo was in Nederland de uit Duitsland afkomstige brandspuit van de Neurenberger smid Hans Hautsch erg populair. Amsterdam beschikte in 1654 over maar liefst 58 van deze brandspuiten.
Nagenoeg alle brandspuiten in die tijd beschikten uit één of meer zuig-/perscilinders met een aan, of op de spuit gemonteerde straalpijp.
Het water werd door middel van emmers aangevoerd, en de brandspuit moest altijd heel dicht bij de brand worden opgesteld om effectief te kunnen blussen. Er vonden dan ook veel ongelukken plaats waarbij brandspuit en de bedieningsmensen werden getroffen door bijvoorbeeld een omvallende muur of een instortende gevel.

Jan van der Heijden in actie als generaal-brandmeester in Amsterdam
Jan van der Heijden in actie als generaal-brandmeester in Amsterdam
Jan van der Heijden
Jan van der Heijden bracht hier echter verandering in. De in Gorinchem geboren glazenier, spiegelfabrikant en kunstschilder (1637-1712) heeft nagenoeg zijn hele leven in Amsterdam gewoond.
Van der Heijden was eigenlijk een uitblinker in alles, zoals een uitstekend tekenaar, technicus en handelsman. Eigenlijk een soort Nederlandse “Leonardo da Vinci”, die naast uitvindingen op allerlei gebied ook nog schilderstukken heeft gemaakt die behalve in het Rijksmuseum en het Mauritshuis ook te vinden zijn in o.a. de National Gallery in Londen.
Met een plan te hebben ontwikkeld voor een nieuw sluizensysteem waardoor een betere doorstroming ontstond, verloste hij Amsterdam van de stankoverlast die het stilstaande water tot die tijd veroorzaakt had.

Veel eer en bewondering ontving hij met zijn plan voor aanleg en onderhoud van de straatverlichting. Hierbij werd voor het eerst gebruik gemaakt van genormaliseerde onderdelen, en in lensvorm geslepen glazen voor een betere lichtopbrengst.

Bij o.a. de grote brand van het stadhuis in 1652 werd zijn aandacht getrokken door de nagenoeg onhandelbare brandspuiten, en de ongeorganiseerde bediening hiervan. Hij ontwikkelde een veel handzamer brandspuit die – en dit was nu écht een uitvinding – voorzien was van brandslangen !

Zijn brandspuit was gemakkelijker te vervoeren en kon op veilige afstand van de brand worden opgesteld. Door middel van de brandslang met straalpijp was het van nu af mogelijk, het bluswater vanaf elke gewenste plek in de brand te spuiten !
Zijn leven lang heeft Jan van der Heijden gewerkt aan verbeteringen hiervan, zodat uiteindelijk een slangenbrandspuit ontstond, die ruim 2 eeuwen lang voor de brandbestrijding zou worden gebruikt.

Omdat ook de brandweerorganisatie van de hoofdstad door hem grondig werd verbeterd, volgde in 1676 zijn benoeming tot “Generaal-brandmeester”.
In 1690 verscheen zijn bekende boek over het gebruik en de toepassing van de slangbrandspuiten, en inmiddels genoot zijn woonhuis en fabriek in de Koestraat grote bekendheid in binnen- en buitenland.

tot ver in de twintigste eeuw bleven de handbrandspuiten van Jan van der Heijdens ontwerp in gebruik
tot ver in de twintigste eeuw bleven de handbrandspuiten van Jan van der Heijdens ontwerp in gebruik
Was de brandbestrijding nu beter geregeld, andere onderdelen zoals de ontdekking van brand en de alarmering van de brandweer bleven eeuwenlang ongewijzigd.
Was eenieder verplicht bij het ontdekken van een brand luidkeels “BRAND!” te roepen, een belangrijke taak werd ook vervuld door de torenwachter die bij het lopen van zijn ronde de omgeving aftuurde op mogelijke rook- en/of vuurverschijnselen. Ook de nachtwakers en klepperlieden letten goed op of er nergens rook of vuur te bespeuren viel.
Ontdekte de torenwachter ergens brand, dan blies hij op zijn hoorn waarop de nachtwakers en kleppermannen voor verdere alarmering zorgden. Brandklokken werden geluid, en heel de stad kwam in rep en roer.
Overdag met een vlag, en ’s nachts met een brandende lantaarn, gaf de torenwachter dan aan in welke richting de brand woedde. Pas na 1850 kwam in dit alles verandering.

vanaf 1874 werd bij de grotere brandweerkorpsen de morsetelegraaf gebruikt als communicatiemiddel
vanaf 1874 werd bij de grotere brandweerkorpsen de morsetelegraaf gebruikt als communicatiemiddel
Stoommachines, waterleiding en telegraaf
Deze veranderingen waren het gevolg van belangrijke feiten, zoals de komst van de waterleiding, de uitvinding van de stoommachine, en de uitvinding van telegraaf en telefoon.
Door de waterleiding te voorzien van een aansluitmogelijkheid voor brandslangen, de zogenaamde brandkranen, werd het mogelijk voor de brandweer om direct na aankomst op de brandplaats snel tot blussen over te gaan, zonder dat hiervoor een pomp moest worden opgesteld. Met de stoombrandspuit werd het mogelijk om grote hoeveelheden water uit grachten e.d. te pompen, en dit d.m.v. slangen en straalpijpen op de brand te spuiten.
Het melden van een brand kon nu plaatsvinden via brandmelders die door middel van telegraaflijnen aangesloten waren op een brandweeralarmcentrale.
Uiteindelijk werd de telefoon het voornaamste middel om een brand te melden.

De stoombrandspuit gaf tien keer zoveel water en - dat was nog belangrijker - vijf keer zoveel druk dan de handbrandspuit
De stoombrandspuit gaf tien keer zoveel water en - dat was nog belangrijker - vijf keer zoveel druk dan de handbrandspuit
De stoombrandspuit heeft maar een kleine 50 jaar dienst gedaan. Met de komst van de verbrandingsmotor werd het natuurlijk veel eenvoudiger om een pomp te laten draaien in plaats van met de toch wel gecompliceerde stoommachine.
In 1908 werd in Nederland, bij de Utrechtse brandweer, de eerste autospuit in dienst gesteld.
Een autospuit is een automobiel waarvan de motor niet alleen voor het rijden, maar ook voor de aandrijving van de bluspomp wordt gebruikt.

vanaf de tweede helft van de 19e eeuw kregen vooral de grote steden beroepsbrandweren
vanaf de tweede helft van de 19e eeuw kregen vooral de grote steden beroepsbrandweren
Ook de organisatie van de brandweer onderging de nodige verbeteringen. Er werden vrijwillige brandweerkorpsen opgericht, bestaande uit mensen die naast hun gewone werk ook brandweerdienst verrichten.
Zo werden er ook beroepsbrandweermensen aangesteld. Amsterdam kreeg in 1874 als eerste stad van ons land een volledige beroepsbrandweer! Dit gebeurde later ook in Den Haag en Groningen. Veel grote plaatsen zochten het echter in een tussenoplossing van beroeps- en vrijwillig personeel. In Rotterdam bijv. bestond de brandweer tot 1969 bijna uitsluitend uit vrijwilligers.
Vandaag de dag telt ons land veel beroepsbrandweerkorpsen en beroepsmensen in kleinere gemeenten. Het grootste deel van alle brandweermensen bestaat echter nog steeds uit vrijwilligers.

In 1940-1945 werd Nederland regelmatig hard getroffen door oorlogshandelingen, zoals hier in Rotterdam in 1943
In 1940-1945 werd Nederland regelmatig hard getroffen door oorlogshandelingen, zoals hier in Rotterdam in 1943
Tweede wereldoorlog
Tot de Tweede Wereldoorlog was de brandweerzorg uitsluitend een gemeentelijke zaak.
Het Rijk bemoeide zich er nauwelijks mee.
Van enige normalisatie was dan ook nagenoeg geen sprake, met als gevolg dat van uniformiteit op het gebied van kleding, uitrusting of organisatie weinig was terug te vinden.
Met de oorlogsdreiging kwam hier wel wat verbetering in, zoals de oprichting van de luchtbeschermingsdiensten waarin ook een aantal brandweertaken waren opgenomen.

Pas tijdens de Duitse bezetting werden tal van maatregelen genomen waardoor brandweer Nederland wel moest normaliseren. Zo werden slangkoppelingen en armaturen genormaliseerd, en werd de samenstelling en werkwijze van een blusgroep vastgesteld.
Dit laatste is beter bekend onder de naam “aflegsysteem”.
De inmiddels opgerichte “rijksinspectie van het brandweerwezen” zorgde voor de nodige richtlijnen en voorschriften, en oefende tevens controle uit op de naleving hiervan.

door de Duitsers werden normalisatie, een aflegsysteem en modern materieel geïntroduceerd; later namen ze vooral het materieel weer mee terug
door de Duitsers werden normalisatie, een aflegsysteem en modern materieel geïntroduceerd; later namen ze vooral het materieel weer mee terug
Na de Tweede Wereldoorlog, dus vanaf 1945, werd de brandbestrijding, en alles wat hiermede samenhangt, constant verbeterd en aangepast aan de ontwikkelingen op dit gebied.
Ook het takenpakket van de brandweer werd steeds meer uitgebreid. Ooit begonnen met hulp bij verkeersongevallen voor het bevrijden van slachtoffers, is er nu sprake van hulpverlening en rampenbestrijding in de ruimste zin van het woord.

de moderne brandweerauto is snel en wendbaar en bevat naast blusmiddelen ook een heel scala aan hulpverleningsmateriaal
de moderne brandweerauto is snel en wendbaar en bevat naast blusmiddelen ook een heel scala aan hulpverleningsmateriaal
Moderne hulpverleningsdienst
Brandweervoertuigen zijn er nu in alle soorten en maten, zoals autospuiten, ladderwagens, hulpverleningsvoertuigen en voertuigen voor commandovoering, verbindingen enz.
Ook de opleidingsprogramma’s zijn veel uitgebreider dan vroeger, en volledig aangepast aan het takenpakket. Mede door de regiovorming en centrale meldkamers kunnen al deze taken dan ook beter gecoördineerd worden uitgevoerd. Hoewel de vrijwillige brandweermensen hierin nog steeds een belangrijke rol vervullen, worden er toch steeds meer taken toegeschoven naar de meer professioneel opgeleide mensen.

veel korpsen gebruiken kleine dienstauto's voor b.v. controletaken
veel korpsen gebruiken kleine dienstauto's voor b.v. controletaken
Al met al is de brandweer uitgegroeid tot dé hulpverleningsdienst voor de burger in nood, en is het dé coördinerende dienst bij het optreden in geval van een ramp.

A.J. Vesseur.

 

snelzoeken binnen de site

112 website Ministerie BZK

Nieuws:

Laatste nieuws uit het museum!
Agenda van het Nationaal Brandweermuseum
Gratis toegang voor kinderen onder begeleiding!!
Donateur worden?

Nationaal Brandweer-documentatiecentrum

Stichting Nationaal Brandweermonument

Nieuwsberichten op www.brandweer.nl