De geschiedenis van het Nationaal Brandweermuseum

Het Nationaal Brandweermuseum is meer als 50 jaar gevestigd in Hellevoetsluis maar bestaat al veel langer. In de bestuursvergadering van de toenmalige één jaar oude Koninklijke Nederlandse Brandweervereniging (KNBV) werd het idee geopperd om een brandweerverzameling aan te leggen, zowel van voorwerpen van oudheidkundige waarde als van modellen van heden. Dit idee sloeg aan en er werd besloten om een commissie van voorbereiding te benoemen.

Op 2 februari 1918 kwam de commissie bijeen en er werd een doel vastgesteld: 'Het geven van een zo volledig mogelijk beeld van de brandweerkunde in al haar vertakkingen. Om dit doel na te streven zal er verzameld worden ui het verleden als wel uit het heden met het oog op de toekomst'.

De commissie bracht verslag uit aan het bestuur en er werd besloten een museumcommissie te benoemen en oproepen te doen aan gemeenten, brandweren, leveranciers en fabrikanten van brandweermateriaal om iets af te staan voor een museumverzameling. Direct werd gevolg gegeven aan deze oproep, gravures, herdenkingspenningen, draagpenningen, prentbriefkaarten, brandmeesterstokken, en brandweerverordeningen stroomden binnen.

Maar het bleef bij klein spul, totdat de gemeenten Haaren een klein model handbrandspuit en de gemeente Randsdorp een ronde lantaarn schonk, toen kwamen de grote stukken binnen.

Amsterdam was de voorloper met onder meer twee handbrandspuiten uit de tijd van Jan van der Heijden.

Na zeven jaar sparen en vergaren werd het tijd om aan een brandweermuseum te denken. De gemeente Utrecht gaf hoop op vestigen van het brandweermuseum binnen haar veste. Op 17 november 1926 werd het museum geopend in het 'Sint Catharijn Convent' aan de Lange Nieuwstraat in Utrecht.

In het museum werd de bibliotheek van de KNBV ondergebracht en de collectie van het gezelschap Utrechts Brandweer. Op de tiende verjaardag van de vereniging was er dan een 'Nationaal Brandweermuseum'. Het vaandel van de KNBV kreeg als kostbaar relikwie een ereplaats.

In 1942 kwam van Seyss-Inquart de verordening af dat alle voorwerpen, bestaande uit koper, lood, tin, nikkel of legeringen daarvan, aangemeld moesten worden bij de 'Rüstungsinspektion'. In de herfst van 1942 werd door de bezetter begonnen met het stelen van de bronzen kerkklokken. Er was een groot gevaar voor het brandweermuseum, veel voorwerpen zoals pompen, straalpijpen en koppelingen waren van koper en dus niet veilig voor de grijpgrage bezetter. Op initiatief van de voorzitter van de KNBV werd het museum opgeheven en werd besloten de collectie onder te laten duiken bij diverse brandweren en op zolder bij de gemeentereiniging in Den Haag. De museumcollectie was weer terug van weggeweest.....op de zolders!
Na afloop van de oorlog kon niet meer beschikt worden over de ruimte in het 'Sint Catharijn Convent' te Utrecht. Andere ruimten waren er niet voor handen.

Op 23 oktober 1954 opende de burgermeester van Rotterdam, de heer van Walsum, een brandweermuseum in het gebouw van de gemeentelijke vervoers- en motordienst te Rotterdam. Dit onder belangstelling van een aantal prominenten van de KNVB en NVBC en het bureau brandweer van het ministerie van binnenlandse zaken.
Dit zette mensen aan het denken want plotseling gingen er stemmen op om zo spoedig mogelijk weer tot herinrichting te komen van een 'Nationaal Brandweermuseum'. De heer M.C. van Keule, die al voor de oorlog in het bestuur zat van de KNBV vond dat nu eigenlijk eens stappen moesten worden ondernomen. Hij was werkzaam bij de provinciale Zuid-Hollandse griffie en wist de heer G.J. Verburg, ook daar werkzaam, voor de heropening van een 'Nationaal Brandweermuseum' te interesseren.
Naar goed Nederlands gebruik werd in oktober 1960 een commissie in het leven geroepen om het probleem van de huisvesting voor een brandweermuseum te bestuderen.

In Hellevoetsluis staan twee gebouwen uit het midden van de 18e eeuw. Het ene gebouw is de 'Kuiperij' en het andere gebouw het 'Groot Magazijn'. Beide gebouwen liggen een de oude marinehaven en waren bij de marine in gebruik, de 'Kuiperij' als werkplaats voor het maken van vaten voor scheepsbeschuit en stokvis en het 'Groot Magazijn' voor opslag van ankers, kettingen en masten.

Na de oorlog kwamen deze gebouwen leeg te staan en de marine deed deze over een de gemeente Hellevoetsluis. Dee heer Verburg was niet onbekend met Hellevoetsluis en sprak met de heer T.A.J. van Eijsinga over het probleem van het zoeken naar een ruimte voor het herinrichten van het museum. Het gevolg was dat na een grote opknapbeurt van de 'Kuiperij' deze omgebouwd werd tot museum.

Op 6 juli 1963 te 11 uur heropende de toenmalige Commissaris der Koningin in de provincie Zuid-Holland en de voorzitter van de brandweerraad het 'Nationaal Brandweermuseum', bijna twintig jaar nadat het ondergedoken was.

Rotterdam gaf zijn museumcollectie aan het heropende museum, hetgeen een zeer rijke aanwinst betekende. De KNBV gaf het museum de vrije hand in vorm van een stichting. Het museum sloeg direct aan en kreeg een enorme belangstelling, mede door de niet aflatende propaganda die uitging van de oprichter-conservator de heer Verburg.

De toevloed van ondergedoken museumstukken bij de diverse brandweren, de schenkingen en vooral het afstoten van autospuiten die in de zestiger jaren hun dertigjarig jubileum hadden gevierd werd zo groot, dat de 'Kuiperij' al heel gauw te klein werd. Wederom werd er een beroep gedaan op het gemeentebestuur van Hellevoetsluis en na een grote opknapbeurt werd het 'Groot Magazijn' ter beschikking gesteld. 

Het museum kreeg een nieuwe ingang aam het gallasplein en in 1977 werd het vergrote museum officieel opengesteld door erevoorzitter van het museum Z.K.H. Prins Claus.In 1982 ging het museumbestuur in beraad om nogmaals het museum verder uit te breiden met het vrijgekomen naastgelegen 'Tromphuis'. De financiële polsstok werd enige malen gemeten om te kijken of de lengte wel toereikend was. In 1984 werd besloten om het museum niet uit te breiden omdat dat onherroepelijk uitbreiding van personeel en aanmerkelijk verhoging van de energie- en stookkosten en verzekering betekende. Wel werd het plan opgevat om energiek de modernisering van het wat verouderde museum aan te pakken.

In 1983 kreeg het museum de blusboot 'Jan van der Heijden II' van de Amsterdamse Brandweer aangeboden voor één gulden. Bij een informeel bezoek van burgermeester en wethouders van Amsterdam in het jaar ervoor aan Hellevoetsluis, heeft de toenmalige burgermeester van Amsterdam, de heer Polak, de 50 jaar oude blusboot overgedragen aan burgermeester de Cloe en het bestuur van het Nationaal Brandweermuseum. De overdracht vond toen symbolisch plaats door het voorlezen van een oorkonde waarin het besluit van het Amsterdamse college stond.

Met het plaatsen van een brandweerpop, met de tekst 'wegens verbouwing gesloten' voor de ingang en het omdraaien van de voordeursleutel op 21 januari 1987 sloot staatsecretaris van binnenlandse zaken, mevrouw De Graaf-Nauta het museum af en gaf zij het startsein voor de renovatie en herinrichting van het Nationaal Brandweermuseum. De plannen van het brandweermuseum omvatte, naast een grote opknapbeurt van het gebouw, ook het verplaatsen van de ingang naar de westelijke zijde (aan de haven). Er kwam ook een totaal nieuwe opzet van de expositie. Een jaar later op 30 maart 1988 werd de eerste fase afgerond en heropende de staatsecretaris van binnenlandse zaken, mevrouw De Graaf-Nauta, al spuitend het brandweermuseum. Maar de renovatie was nog niet ten einde, enige jaren later zou het museum opnieuw worden gesloten voor de tweede fase. Op 6 Juli 1990 werd de tweede fase afgerond en zijn de deuren op officiële wijze weer geopend. De renovatie en herinrichting hebben enkele jaren in beslag genomen en hiemee had het museum een heel ander gezicht gekregen. 

In 2003 werd er gekeken of er een Nationaal Veiligheidsmuseum kon komen waar aandacht zou zijn voor brandweer-, politie- en ambulancedienst. In 2004 werd er besloten af te zien van dit plan en werden de museale activiteiten onverminderd voortgezet in Hellevoetsluis.

Op 16 december 2011 zijn het Nationaal Brandweermuseum en het Nederlandse Politiemuseum gefuseerd onder de naam Nationaal Veiligheidsinstituut (NVI). De hoofvestiging werd in april 2014 onder de naam PIT-Expo in Almere geopend. Het Nationaal Brandweermuseum bleef bestaan en is nog altijd in Hellevoetsluis voor het publiek toegankelijk. De PIT-Expo in Almere heeft een interactief Karakter. Demonstraties met brandweer- en politievoertuigen, blusmaterieel en communicatieapparatuur worden afgewisseld met spectaculaire multimediashows en interactieve programma's.

In 2013 werd uitgebreid aandacht gegeven aan het feit dat het Nationaal Brandweermuseum 50 jaar gelden in Hellevoetsluis zijn nieuwe thuisbasis had gevonden.

Tijdens het winterreces 2013/2014 van het Nationaal Brandweermuseum werd de 'Kuiperij' volledig gerestaureerd en van een nieuw dak voorzien. Hier ontstond op de tweede verdieping een prachtige vergaderzaal voor c.a. 50 personen, die voor lezingen, seminars en bijeenkomsten door instellingen en bedrijven kan worden gehuurd. Vanaf 2015 wordt op de eerste verdieping van de 'Kuiperij' een permanente expositiezaal ingericht. Hier laat het museum jaarlijkse wisseltentoonstellingen over diverse thema's uit de wereld van de nationale brandweer en de andere hulporganisaties zien.